Artikelen

Roboteconomie, zo gek nog niet!

De afgelopen week heb ik het boek Ik, Robot (Meulenhoff 2017) van Isaac Asimov gelezen. Dit boek, een bundeling van negen science fiction verhalen uit de periode 1941-1950, verscheen in 1966 in Nederland. In 2017 werd het heruitgegeven en als cadeau aangeboden door de Nederlandse bibliotheken ter gelegenheid van Nederland Leest. Er werd bovendien een tiende verhaal aan toegevoegd, geschreven door Ronald Giphart in samenwerking met schrijfrobot Asibot. Ik kreeg mijn exemplaar, het laatste exemplaar van de bibliotheek in Holten, enkele maanden geleden. Het was in extra grote letters. Heel handig voor me, dat lukt nog zonder leesbril.

“Als mensen zich net als robots zouden houden aan een drietal eenvoudige wetten, dan zouden we een wereld – en een economie – krijgen die in vele opzichten ideaal is.”

Robotpsychologie?

Ik had op voorhand al een bijzondere band met dit boek. Het was namelijk een van de favoriete boeken van mijn overleden vader. Hij was natuurkundig ingenieur en sterk gefascineerd door de robotica en in het bijzonder het idee van de robotwetten, waarover dadelijk meer. Nu ik het boek dan eindelijk en veel te laat zelf gelezen heb, begrijp ik de fascinatie van mijn vader volledig. Nog verrassender vind ik het feit dat het vakgebied van mijn vader, de natuurkunde, en dat van mijzelf, de psychologie, in Ik, Robot bij elkaar komen. Susan Calvin, de hoofdpersoon in het boek en degene die de verhalen vertelt, is namelijk een robotpsycholoog. Zij doorgrondt de psyche van de robot, natuurlijk een paradox van jewelste. Hoezo hebben machines een psyche?

De drie wetten der robotica

Om dat te begrijpen, moeten we kennis nemen van de drie wetten der robotica, zoals die zijn vastgelegd in het Handboek der Robotica, 56e druk, AD 2058 (Ik, Robot, p.8):

  1. Een robot mag een mens geen letsel toebrengen, noch, door passief te blijven, een mens letsel laten overkomen.
  2. Een robot moet de door mensen gegeven orders gehoorzamen behalve wanneer die orders in strijd zijn met de Eerste Wet.
  3. Een robot moet zichzelf beschermen zolang of voor zover dat niet met de Eerste of Tweede Wet in strijd is.

De wetten zijn opgesteld door mensen uit angst dat robots ooit de macht zouden overnemen. Ze zijn immers in belangrijke opzichten (in elk geval verstandelijk en fysiek) superieur aan de mens. De negen verhalen die volgen zijn heerlijke uitwerkingen van situaties die zich kunnen voordoen in een wereld waarin robots en mensen samenleven, waarbij de robots geregeerd worden door de drie wetten. In elk verhaal gedragen robots zich afwijkend en onverklaarbaar en moet de robotpsychologie eraan te pas komen om alsnog met een verklaring te komen. Steeds blijkt de verklaring uiteindelijk samen te hangen met de drie wetten der robotica.

Pionier van de betekeniseconomie

Asimovs boek is een inspirerende en indrukwekkende bundeling verhalen die getuigen van een grenzeloze verbeeldingskracht van de schrijver in combinatie met een scherpe blik op de samenleving en de menselijke natuur. De verhalen zijn bovendien vlot en spannend geschreven. De reden dat ik zijn boek op pioniersmagazine.nl opvoer, is dat ik Isaac Asimov met terugwerkende kracht beschouw als een pionier van de betekeniseconomie avant la lettre. Tijdens het lezen van bepaalde passages trof de overeenkomst met de uitgangspunten van de betekeniseconomie mij bijzonder. Vanuit mijn interesse in de betekeniseconomie ben ik uiteraard gevoelig voor inzichten en beschrijvingen die ik hieraan kan relateren. Bij alles wat ik lees is mijn brein gespitst op mogelijke relevantie voor mijn ideeën over de betekeniseconomie en gaat het vrijwel automatisch op zoek naar mogelijke nieuwe inzichten. In het geval van Ik, Robot had ik totaal niet verwacht ook maar iets te lezen dat mij aan het denken zou zetten over de betekeniseconomie. Ik las het boek puur ter ontspanning. Ik verwachtte science fiction verhalen over robots en ik kreeg een uiterst realistische en scherpe bespiegeling over de mens, onze maatschappij en economie. Zo was ik volkomen onbedoeld toch weer bezig met de betekeniseconomie.

Als robots onze economie besturen

Ik neem je mee naar het laatste oorspronkelijke verhaal van Ik, Robot, hoofdstuk 9. De wereld wordt inmiddels feitelijk bestuurd door superrobots, de zogenaamde Machines, onder supervisie van de Coördinator, een soort president van de hele aarde. Er vinden wederom enkele onverklaarbare gebeurtenissen plaats waardoor Susan Calvin om advies gevraagd wordt. Er volgt een gesprek tussen de Coördinator en de robotpsychologe waarin de eerste uitlegt hoe de roboteconomie werkt:

Onze nieuwe wereldomvattende roboteconomie zal haar eigen problemen krijgen en dat is de reden waarom we de Machines hebben. De Aardse economie is stabiel en zal stabiel blijven omdat zij gegrondvest is op de beslissingen van computers die door de alles overstemmende kracht van de Eerste Wet der Robotica het welzijn van de mensheid beogen. En hoewel de Machines niets anders zijn dan de meestomvattende opeenhopingen van rekencircuits die ooit ontwikkeld zijn, zijn ze nog steeds robots die de Eerste Wet gehoorzamen en dus is onze Aarde-economie in overeenstemming met het belang van de mens.

Verspilling en schaarste zijn woorden in de geschiedenisboeken. De Aardbevolking weet dat er geen werkeloosheid zal zijn en geen overproductie en geen tekorten. En zo wordt de vraag wie het beheer over de productiemiddelen heeft, een probleem dat geleidelijk verdwijnt. Wie ze ook bezitten zou (als een dergelijke uitdrukking een betekenis heeft), één mens, een groep, een natie of het hele mensdom, ze zouden alleen maar aangewend kunnen worden op de manier die de Machine aangaf. Niet omdat men daartoe gedwongen werd, maar omdat het ’t verstandigste was en iedereen weet dat (pp. 379-380).

Kortom, een economie die bestuurd zou worden door superslimme robots is een blijvend stabiele economie die het welzijn van de mens beoogt, werkeloosheid, overproductie en tekorten voorkomt en de vraag naar wie de productiemiddelen bezit irrelevant maakt. Het enige wat we hiervoor hoeven te doen is onze economie inrichten op basis van slechts één uitgangspunt, namelijk de Eerste Wet der Robotica: onze economie mag een mens geen letsel toebrengen, noch, door passief te blijven, een mens letsel laten overkomen. Bij nader inzien had ik me bij het opstellen van de uitgangspunten voor de betekeniseconomie misschien wel kunnen beperken tot deze ene. Ik schreef het al: had ik dit boek maar eerder gelezen (ook al omdat ik er dolgraag met mijn vader over had willen praten).

Robotwetten zijn zo gek nog niet

Mensen zijn geen robots en de meesten van ons zullen denken: gelukkig maar. Tegelijkertijd houdt Asimov ons een spiegel voor: als mensen zich net als robots zouden houden aan een drietal eenvoudige wetten, dan zouden we een wereld – en een economie – krijgen die in vele opzichten ideaal is (geen werkeloosheid, geen overproductie, geen tekorten). En zo vergezocht is dat helemaal niet, volgens Asimov (zie pp. 343-344), omdat de robotwetten de wezenlijke grondprincipes zijn van het merendeel van onze menselijke ethische systemen. Ieder mens heeft allereerst het instinct tot zelfbescherming (de derde robotwet). Verder vinden de meeste mensen het vanzelfsprekend – zo voeden we onze kinderen ook op – om vanuit een basaal sociaal bewustzijn en verantwoordelijkheidszin zich te houden aan de wet, om te luisteren naar anderen, om regels op te volgen en om zich te conformeren aan bestaande gewoontes (de tweede robotwet). Tot slot worden mensen universeel grootgebracht met de boodschap hun naasten lief te hebben als zichzelf, hun medemensen te beschermen en hun leven te wagen om een ander te redden (de eerste robotwet). Mensen doen dat ook. Kortom, de Drie Wetten der Robotica en de menselijke ethiek komen overeen. Iemand die zich aan deze wetten houdt is dus ofwel een robot ofwel een goed mens.

We hebben als mensen dus alles in handen om van Asimovs roboteconomie een menselijke economie te maken, de betekeniseconomie, mits we bereid zijn om ons als goede mensen te gedragen die zich laten leiden door de drie robotwetten die welbeschouwd buitengewoon menselijke wetten zijn.

De grootste bedreiging voor de betekeniseconomie zijn we zelf

Eén gevaar bedreigt de roboteconomie echter in het universum van Asimov: het “Genootschap voor de mensheid” (briljant ironisch):

Ze [het “Genootschap voor de mensheid” KM] maken er geen geheim van dat ze de Machines niet willen… Ze zijn maar gering in aantal, maar het is een verbond van machtige lieden. Directeuren van fabrieken, topfiguren in de industrie en van landbouwsyndicaten die er een ontzettende hekel aan hebben om wat zij noemen “loopjongens van de Machine” te zijn. Mensen met ambitie horen ertoe. Mensen die zich sterk genoeg voelen om zelf uit te maken wat het beste voor hen is, en die niet alleen maar willen horen wat het beste voor anderen is. (p. 415)

De grootste bedreiging voor de betekeniseconomie is, weinig verrassend, de mens zelf. Meer in het bijzonder is het de mens die zich, tegen beter weten in, niet wenst te houden aan de robotwetten omdat hij zelf wil uitmaken wat goed voor hem is en niet wil horen wat het beste voor anderen is. Ruim 70 jaar geleden riep Isaac Asimov op om ons – hoe paradoxaal – meer robotwaardig te gedragen als we een economie willen die in overeenstemming is met het belang van de mens. We hebben ons er weinig van aangetrokken. We hebben ons te veel als mens gedragen en te weinig als robot. Laten we dat rechtzetten. Want laten we niet vergeten wie de Wetten der Robotica bedacht heeft. Precies. Een mens.

Kaj Morel

Kaj Morel is sociaal psycholoog en auteur voor Pioniers Magazine. Hij is pionier van de betekeniseconomie, identiteitsmarketingexpert en is organisatieadviseur. Met zijn huidige bedrijf De Zaak van Betekenis zet hij zich in om gezamenlijk een samenleving te realiseren – de betekeniseconomie – waarin organisaties zich bewust zijn van hun betekenis voor anderen en actief bezig zijn om deze te vergroten. Hij is medeoprichter en bestuurslid van de Stichting Betekeniseconomie in Twente (2017). Hij promoveerde (1995-2000) aan de Technische Universiteit in Delft op een proefschrift over de wijze waarop consumenten nieuwe, hybride producten leren begrijpen en was jarenlang docent en onderzoeker op het gebied van consumentengedrag en consumentenonderzoek in Delft en Rotterdam (EUR). Als lector Identiteitsmarketing bij Saxion (2009-2016) kreeg hij de kans om zijn geestdrift voor onderwijs, onderzoek en kennisontwikkeling te combineren met het werken in de praktijk aan betekenisvolle organisaties. Kaj heeft een voorliefde voor praktisch toepassen, werkzame hulpmiddelen ontwikkelen en zaken daadwerkelijk voor elkaar krijgen. Hij schreef twee toegankelijke en laagdrempelige boeken: Identiteitsmarketing. Waarom wij bestaan (2010) en Tijd voor de betekeniseconomie. Het verhaal over onze economie dat ze je nooit vertellen (2018).