Winkelmand

Artikelen

Passend onderwijs vanuit een integrale blik, dat is de toekomst!

Nederland is een postmoderne samenleving. Dat betekent dat waarden als gelijkwaardigheid, overleg in harmonie, solidariteit met mensen en landen, die het minder goed hebben en praten over emoties hoog scoren in onze cultuur. Deze postmoderne waarden worden in belangrijke mate gedragen door zorgverleners, onderwijzers, ambtenaren, veel bewoners initiatieven en non-profit organisaties, jonge start-ups en het meer progressieve deel van de media en politieke partijen. Tegelijkertijd staan op dit moment deze waarden op het spel omdat er ook een regressieve beweging gaande is in de maatschappij die ‘terug’ wil naar vroeger toen alles nog overzichtelijk was en ordelijk, toen we nog ‘trots’ konden zijn op ons land. Tussen deze twee perspectieven (traditioneel en postmodern) ligt een breed middengebied waarin onze welvaart centraal staat en de moderne economie nog steeds floreert en dominant aanwezig is in alle levensgebieden. Daar staan moderne waarden centraal zoals: vrijheid van meningsuiting, rationeel onderzoek, streven naar succes, ontwikkeling van talenten en een oneindig geloof in (economische) groei en technologische oplossingen.

“In het algemeen passen meisjes meer in de postmoderne schoolwereld, omdat ze van nature meer gericht zijn op harmonie en samenwerking.”

Onze onderwijsinstellingen weerspiegelen vooral de (post)moderne waardenpatronen. Meer traditioneel onderwijs is nog te vinden in religieus georiënteerde (Katholieke, Protestante, Islamitische en Joodse) scholen, hoewel ook daar de (post)moderne ideologie van het Ministerie bepalend is. Het merendeel van de Nederlandse scholen wordt gestuurd vanuit enerzijds moderne prestatie-waarden (het gaat erom te slagen) en anderzijds de postmoderne waarden over hoe onderwijs te geven. Het is de bedoeling dat de leerling centraal staat.

Mijn kleinzoon zit op een school waar gelijkwaardigheid tussen docenten en leerlingen een erg belangrijk uitgangspunt is. De leerlingen worden hier ‘werkers’ genoemd en de docenten ‘medewerkers’. Het doel is dat de werkers zo vroeg mogelijk zelfstandig met hun werk bezig zijn, zelf goed plannen en hulp vragen als ze vastlopen. Ik vind dat een mooi principe, alleen zie ik dat lang niet alle kinderen hiermee uit de voeten kunnen.

Ieder kind is anders
In het algemeen zijn de meisjes, meer dan de jongens, bezig met vooruitkijken en te doen wat er van hen verwacht wordt. Zij kunnen beter plannen en zijn meer gemotiveerd om na te denken over schoolzaken. Veel jongens zijn in de eerste jaren van de middelbare school vooral bezig met hun identiteitsontwikkeling en in deze feminiene samenleving is dat voor hen een moeilijker proces dan voor de meiden. We missen vaak de mannelijke energie in primair en secundair onderwijs; veel leerkrachten zijn vrouw. Dat betekent een tekort aan rolmodellen voor de jongens en weinig ruimte voor hun energieke en, soms meer agressieve, houding. De postmoderne waarde van harmonie belemmert zo hun ontwikkeling. Jongens houden van stoeien en zich fysiek en anderszins meten aan anderen (competitie). Ze hebben ook een uitlaatklep nodig voor hun onzekerheid en boosheid. In het algemeen passen meisjes meer in de postmoderne schoolwereld, omdat ze van nature meer gericht zijn op harmonie en samenwerking.

Naast dit genderverschil speelt nog een belangrijk onderscheid tussen de verschillende groepen leerlingen, namelijk waar ze zijn in hun persoonlijke ontwikkeling. Een kind groeit op via verschillende ontwikkelingsstadia. Mensen als Piaget, Sri Aurobindo, Jane Loevinger, Rudolf Steiner, Susanne Cook Greuter, Robert Keagan, Clare Graves, Kohlberg, Don Beck en Ken Wilber hebben onderzocht en beschreven hoe de mens zich ontwikkelt[1]. Deze ontwikkeling vindt plaats op vele gebieden zoals cognitief, motorisch, emotioneel, interpersoonlijk, ego-ontwikkeling, spiritueel en moreel. Opvallend is dat je niet een stadium kunt overslaan, er is een vaste volgorde. Dat betekent ook dat je dus in zekere zin kunt voorspellen wat de volgende fase is en ook wat van belang is als er sprake is van een blokkade. De menselijke ontwikkeling die beschreven wordt, volgt in grote lijnen eenzelfde fasemodel. Ik werk veel met Spiral Dynamics[2] dat vooral gaat over de drijfveren en motieven, die achter en onder het handelen, zichtbaar zijn. De ontwikkelingsstadia worden hier voor het gemak met kleurtjes aangeduid.

Als je kinderen volgt in hun ontwikkeling kun je deze stadia mooi terug zien. De geboorte van de baby begint in het ‘overleven’ en alles gaat eerst om de meest elementaire behoeften: eten, warmte, verzorging, bescherming, liefde. Al snel komt de naaste familie in beeld en de baby gaat wennen aan vaste patronen en rituelen die veiligheid bieden (denk aan de knuffel en een vast bed-ritueel). Het rode waardesysteem wordt zichtbaar zo rond het tweede levensjaar: “NEE!, Van mij! Ik wil (niet)!” De hele wereld van de peuter draait om wat de kleine wil: “Ik wil het en ik wil het NU!!!!” De basisschool is de plek waar regels en discipline geleerd worden. Kinderen zijn ook erg bezig met wat goed en fout is. Ze kunnen erg veroordelend zijn. Het onderscheid tussen WIJ en ZIJ is erg kenmerkend voor het blauwe, traditionele waardesysteem. Bij het ene kind vroeger bij een ander later komt ook het moderne, ondernemende waardesysteem tot ontwikkeling: een eigen mening ontwikkelen, succesvol willen zijn, bezig zijn met de toekomst en resultaat gericht werken. Daarna kan de ontwikkeling naar postmoderne waarden plaats vinden.  Langzamerhand verbreedt de kijk van het kind zich. Blauw is nog erg etnocentrisch, bij groen staat de wereld centraal. De jongeren die nu opkomen voor ingrepen tegen klimaatverandering, hebben veelal een (post)moderne visie.

De ontwikkeling van het kind gaat deels vanzelf (auto-poëtisch en adaptief vermogen[3]), deels wordt het bepaald door de leefomstandigheden waarin het kind verkeert. De gezinssituatie bepaalt voor een belangrijk deel vorm en inhoud van hun socialisatieproces. Als je opgroeit in een traditioneel gezin, leer je andere waarden, dan wanneer je opgroeit in een modern of postmodern gezin. Ook de huishoudsituatie is van invloed: woon je in een éénoudergezin, ben je mantelzorger voor een broer, zus of ouder (een vijfde van alle middelbare scholieren), komen je ouders uit een ander land waardoor je nog een extra persoonlijk integratieproces voor de boeg hebt, hoe is de inkomenssituatie, etc.

Leeromgeving aanpassen aan het kind
Ieder kind is uniek en kinderen hebben een leeromgeving nodig waarin zij gestimuleerd worden om de volgende stap in hun ontwikkeling te zetten. En niet voor iedereen is de postmoderne onderwijs cultuur passend. Onze kleinzoon: “School boeit me niet. En al dat gepraat over eigen verantwoordelijkheid ook niet. De leraren moeten consequent zijn en duidelijke regels hanteren. Ze doen maar wat en dan krijg ik de schuld”. Voor hem is een duidelijke, overzichtelijke (en daarmee voor hem veilige) schoolstructuur van belang om te leren. Digitale overzichten met huiswerkopdrachten en planningsschema’s werken niet. Ik vind het zelf ook een dagtaak om erachter te komen wat de bedoeling is…. Hij moet gewoon een briefje krijgen met daarop per vak zijn weektaak. En hij heeft het nodig dat zijn werk gecontroleerd wordt. Niet dat hij zelf met een antwoordenboekje zijn eigen werk gaat controleren, om daar weer van te leren.  Voor een aantal kinderen die daarvoor gemotiveerd zijn, werkt dat. Voor anderen niet.

Ik vind het dus belangrijk dat je, als school, een gedifferentieerd beleid hebt. Dus niet ‘alle monniken gelijke kappen’, maar onderwijs op maat. Ik kan me voorstellen dat je heel gestructureerd begint. Als blijkt dat een kind zelfstandig en gemotiveerd aan de slag gaat, heeft hij/zij minder structuur nodig. Die kun je dus vrijer laten. Anderen houd je strakker en onder controle totdat ze hun eigen discipline hebben ontwikkeld.

Als school met een (post)moderne filosofie is het dus zaak om zelf ook een stap verder te gaan en een integrale kijk te ontwikkelen. Vanuit integraal ben je in staat om deze ontwikkelfasen te herkennen en kun je leren hoe je je gedrag kunt afstemmen op wat een bepaalde situatie of een bepaald kind nodig heeft. De film The blind site (zie Netflix) laat heel mooi zien hoe de hoofdrolspeler alleen gemotiveerd wordt door het paarse waardesysteem (bescherming van familie en team). Als je dat door hebt als begeleider/teamcoach, kun je ook bijdragen aan de ontwikkeling van het talent van de jongere. Een beroep doen op persoonlijk succes of ontwikkeling heeft dan geen enkele zin.

[1] Zie o.a. Ken Wilber Integrale psychologie, 2001

[2] Zie o.a. www.spiraldynamicsintegral.nl

[3] Zie Dieuwke Begeman: Natuurlijk veranderen, 2008

Leida Schuringa

Leida Schuringa schrijft voor Pioniers Magazine. Zij is bestuurslid van het Center for Human Emergence dat - evenals het gelieerde bedrijf Synnervate – werkt op basis van het Integrale model van Ken Wilber en Spiral Dynamics Integral (SDi) (zie www.spiraldynamicsintegral.nl). Leida is auteur van verschillende boeken o.a. Omgaan met diversiteit; Projectmatig werken voor de non-profit sector en Community Empowerment in a developing country. Haar ervaring ligt in de non-profit sector en ontwikkelingssamenwerking. Op dit moment is zij met name actief in Tsjechië en Malawi. Leida is socioloog, gecertificeerd (leer)supervisor, integral coach (ICC), trainer en adviseur. Zij is geïnteresseerd in de toepassing van SDi op maatschappelijke vraagstukken. Haar specifieke expertise ligt vooral op het terrein van community empowerment en haar passie is een bijdrage te leveren aan samenwerking tussen mensen met allerlei verschillende achtergronden.