Winkelmand

Artikelen

Meer dan tractoren alleen…over de ontwikkeling van verschillende participatievormen in de publieke sector

Het jaar 2019 liet vele protesten zien: boeren, de bouwsector, onderwijzend personeel, zorgmedewerkers en natuurlijk de acties om sneller de klimaatdoelen te bereiken. De acties waren gericht op en tegen de overheid, vooral op landelijk niveau. Soms lukte het de protesteerders om een gesprek met het kabinet te krijgen, soms zelfs werden ze gevraagd om te onderhandelen (boeren en bouwers). De kernboodschap van deze twee groepen was vooral: jullie luisteren niet naar ons en jullie houden te weinig rekening met onze belangen. De acties van onderwijs en zorg gingen deels over werkdruk en hogere lonen, maar verwijzen vooral naar het algemeen belang van een goede kwaliteit in deze beide sectoren. Klimaatacties betreffen vooral het algemeen belang. De regering en Tweede Kamer worden (terecht) als hoedster van het algemeen belang gezien, maar (helaas) ook als verdedigers van deelbelangen. Emotioneel spelen gevoelens van boosheid, frustratie en machteloosheid. Men voelt zich niet gehoord en gezien. Dat geldt ook voor veel burgers die niet de straat op zijn gegaan. Men heeft het idee dat alles buiten hen om beslist wordt. Wat natuurlijk voor een belangrijk deel ook zo is. Je stemt één in de vier jaar en dan laat je de ontwikkeling van beleid over aan de volksvertegenwoordigers.

Ontwikkelingen

Een eeuw geleden waren de burgers daar nog erg blij mee. Bedenk dat in 1848 het eerste (census) kiesrecht werd ingevoerd, bedoeld voor de betere burgerij: alleen mensen met een voldoende belastbaar inkomen mochten stemmen. Pas in 1917 werd het kiesrecht uitgebreid naar alle mannen ouder dan 25 jaar en vanaf 1919 mochten ook de vrouwen stemmen. Voor die tijd had je natuurlijk helemaal niets te vertellen tenzij je tot de notabelen behoorde. Dus stemrecht voor álle burgers ouder dan 25 jaar en de vrijheid om politieke partijen op te richten waren toen een enorme vooruitgang.

“Eind jaren zestig ontstonden de eerste scheuren in de algehele tevredenheid.”

Maar de wereld is sindsdien natuurlijk heel erg veranderd. Na de tweede wereldoorlog was de mentaliteit in Nederland volledig gericht op de wederopbouw. Het moderne denken deed zijn intrede in brede kring. De burger richtte zich op (materiële) vooruitgang. Allerlei nieuwe technologie verscheen in de huizen: televisie, de stofzuiger, de wasmachine. Steeds meer mensen konden zich een auto veroorloven. Nederland ging massaal koken op gas. Ouderen kregen pensioen. Men genoot van de gemakken van het moderne leven.

Eind jaren zestig ontstonden de eerste scheuren in de algehele tevredenheid. De jongere generatie stelde het traditionele gezag ter discussie, in buurten en wijken ontstond de behoefte aan inspraak, in bedrijven de vraag naar medezeggenschap. Het was niet meer vanzelfsprekend om te gehoorzamen aan de vroegere machthebbers en belichamers van het oude gezag. Ouders, leraren en bestuurders moesten zich gaan verantwoorden. En langzamerhand werd het gewoon als iedereen meepraatte. Iedere stem moest gehoord worden.

De structuren waarbinnen dat plaats kon vinden, ontwikkelden zich – in de publieke ruimte – van inspraakprocedures via verschillende samenwerkingsvormen met de overheid en andere betrokkenen (zoals woningbouwverenigingen) tot interactieve beleidsvorming. De rol van de burger veranderde daarin, van het vertellen van je mening via adviseren naar medebeslissingsrecht. We hebben hier legio voorbeelden van in Nederland. Toch hebben veel mensen het gevoel dat hun mening er niet toe doet. Ja, je kunt wel iets zeggen, maar er verandert toch niets, is hun ervaring. Uiteindelijk beslissen ‘ze’ toch zoals het hen goed dunkt.

“In de ‘slipstream’ van deze postmoderne ideologie van gelijkheid heeft de overheid het idee dat ze alle meningen en uitingen van burgers serieus moet nemen. Dat leidt soms tot vreemde reacties en draaigedrag zoals met openlijke grote tegenzin de 100 km grens accepteren of zeggen de boeren te steunen maar tegelijkertijd toch moeten voldoen aan de stikstofwet.”

Hoewel ongetwijfeld slechts een klein percentage van de burgers echt actief participeert in burgerinitiatieven, publiek-private partnerschappen en andere samenwerkingsvormen om beleid te ontwikkelen en uit te voeren, is het toch de vraag wat er nu precies aan de hand is en hoe we verder kunnen komen. In feite zijn we natuurlijk wel vele stappen verder dan 100 jaar geleden. De verwachtingen, en daarmee gepaard gaande eisen, zijn echter tegelijkertijd ook veel hoger geworden. Dus de kloof lijkt misschien dezelfde.

Wat is er gaande?

Terugkijkend zien we een ontwikkeling, van traditionele bestuursvormen in de samenleving naar de eerste democratische verschijningsvormen zoals algemeen stemrecht. Vanaf 1945 ontwikkelden de burgers zich langzamerhand tot moderne en ‘mondige’ burgers die mee willen praten over hun leefomgeving. Ze willen meer invloed op besluiten die op landelijk, provinciaal en lokaal niveau genomen worden. Eens in de zoveel jaren stemmen voldoet niet aan die behoefte. Dat verlangen naar invloed werd de laatste decennia steeds meer omgevormd tot het idee dat men recht had om gehoord te worden, maar ook dat het moet gebeuren ‘zoals ik het wil’. De technologie hielp daarbij. De ongefilterde sociale media werden een geweldig kanaal voor allerlei burgers om hun meningen – en met name hun emoties – wereldkundig te maken.

In de ‘slipstream’ van deze postmoderne ideologie van gelijkheid heeft de overheid het idee dat ze alle meningen en uitingen van burgers serieus moet nemen. Dat leidt soms tot vreemde reacties en draaigedrag zoals met openlijke grote tegenzin de 100 km grens accepteren of zeggen de boeren te steunen maar tegelijkertijd toch moeten voldoen aan de stikstofwet. Deze patstellingen zijn onvermijdelijk. Een overheid moet immers keuzes maken ten behoeve van het algemeen belang en kan niet alle particuliere belangen tevreden stellen. Bovendien is het voor een overheid ook van groot belang zorgvuldig om te gaan met wát er gezegd wordt. Er wordt heel veel geroepen, maar wat is de meest kloppende waarheid? Wat is onderzocht? Wat wordt ondersteund met feitenmateriaal? Wetenschappers, journalisten en intellectuelen worden tegenwoordig vaak in een verdacht daglicht gezet, met name door mensen die graag de waarheid manipuleren ten gunste van henzelf zoals Trump (om maar even ver van huis te blijven).

Wat is de volgende stap?

Maar wat is er dan wel mogelijk in deze samenleving. Wat kun je als burger meer doen dan het Malieveld oprijden? Welke andere mogelijkheden heeft een overheid om burgers op een verantwoorde wijze mee te laten beslissen? Hoe kunnen we de essentiële vraag: ‘Wat is in onze samenleving méér waar en méér waard’ met elkaar beantwoorden zonder in een strijd over het eigen gelijk terecht te komen?  Ik ben zelf best enthousiast over de nieuwe initiatieven met burgerpanels. Daarmee bedoel ik niet de digitale panels waar je je mening kwijt kunt zoals Eén Vandaag of de burgerpanels die tegenwoordig iedere gemeente en ook de NS wel heeft. Die zijn prima als je als overheid of instituut wilt weten hoe een doorsnee van de bevolking op dit moment ergens over denkt. Maar dat zijn geen ‘ontwikkel’-panels. Het gaat mij om nieuwe integrale vormen van participatie in beleidsvorming.

In mijn artikel over Integrale Politiek in Pioniers Magazine van maart 2019 beschrijf ik o.a. de Burgervergadering in Ierland. Ik vind dat nog steeds een erg mooi voorbeeld van een meer integrale vorm van meebeslissen. Door de opzet en werkwijze wordt aandacht geschonken aan een aantal pijlers van integraal denken:

  • veiligheid en geborgenheid bieden voor de deelnemers;
  • daadkracht integreren in de procedure omdat de uitkomst leidt tot verplichte stappen in het Parlement (of ander beslisorgaan);
  • regels en structuur aanbrengen zoals representativiteit (de deelnemers zijn een afspiegeling van de bevolking) en een heldere procedure met tijdpad om naar een resultaat toe te werken;
  • een heldere startvraag/doel en ruim de tijd om experts en ervaringsdeskundigen te raadplegen en op andere wijze informatie te verzamelen;
  • ruimte voor alle deelnemers om hun verhaal te vertellen en hun mening en emoties onder woorden te brengen;
  • een gestructureerde dialoog om met elkaar over de verzamelde informatie te praten en tot

voorstellen en besluiten te komen.

Caroline de Gruyter gaat in haar artikel Voortaan dan maar loten in plaats van stemmen? (NRC 20 september 2019) dieper in op voor en tegens van gelote burgerraden. Het lijkt een hele mooie vorm om woede in de samenleving constructief in te zetten en tot weloverwogen besluiten te komen. Een jaar na het Brexit referendum werd in Engeland een niet bindende burgerraad over de Brexit gehouden. “Deelnemers werden door het lot geselecteerd. Er zaten Brexiteers bij, Remainers, en alles er tussenin. Alle sociale klassen waren vertegenwoordigd. Na weken van hoorzittingen en deliberaties ebden de emoties weg. Inhoudelijk debat werd mogelijk. Mensen begonnen te luisteren. Ze veranderden van mening, gaven fouten toe. Aan het eind produceerde de burgerraad een tekst waarin allen verklaarden (óók de Remainers) dat Brexit nodig was. Maar het moest een zachte Brexit zijn. Anders, vonden zij, moest Groot-Brittannië in de EU blijven.”  Deze burgerraad had helaas geen status en kwam te laat. Politici waren al met de Brexit op de loop gegaan en polarisatie en versplintering deden hun vernietigende werk. Het blijkt erg belangrijk dat een burgerraad een wettelijke plek in het besluitvormingsproces krijgt.

In Frankrijk is kort geleden een burgerraad geïnstalleerd die plannen zal ontwikkelen om de CO2 uitstoot naar beneden te brengen. Een belangrijke inspirator in deze nieuwe ontwikkelingen is David van Reybrouck (red. auteur van Tegen Verkiezingen, 2016). Ook in Nederland wordt nagedacht over de eerste experimenten. Rechtsfilosoof Bastiaan Rijpkema stelt voor om de Eerste Kamer om te bouwen tot een Toekomstkamer bestaande uit gelote burgers (http://democraticchallenge.nl). Voorlopig zijn het nog vingeroefeningen. De vraag is in hoeverre Nederland het aandurft om voorbij het polderen en streven naar consensus te gaan teneinde nieuwe maatschappelijke oplossingen mogelijk te maken en polarisatie gestructureerd aan te pakken

Leida Schuringa

Leida Schuringa schrijft voor Pioniers Magazine. Zij is bestuurslid van het Center for Human Emergence dat - evenals het gelieerde bedrijf Synnervate – werkt op basis van het Integrale model van Ken Wilber en Spiral Dynamics Integral (SDi) (zie www.spiraldynamicsintegral.nl). Leida is auteur van verschillende boeken o.a. Omgaan met diversiteit; Projectmatig werken voor de non-profit sector en Community Empowerment in a developing country. Haar ervaring ligt in de non-profit sector en ontwikkelingssamenwerking. Op dit moment is zij met name actief in Tsjechië en Malawi. Leida is socioloog, gecertificeerd (leer)supervisor, integral coach (ICC), trainer en adviseur. Zij is geïnteresseerd in de toepassing van SDi op maatschappelijke vraagstukken. Haar specifieke expertise ligt vooral op het terrein van community empowerment en haar passie is een bijdrage te leveren aan samenwerking tussen mensen met allerlei verschillende achtergronden.