Artikelen

Indië verloren, rampspoed geboren

Nederland heeft de potentie om koploper te zijn in de wereld. Kijk maar naar de recente klimaatwet. Niemand heeft er al een, wij wel. En dat is op meer punten het geval. Door niet-Nederlanders wordt dan ook regelmatig gezegd dat ons land de mogelijkheid heeft om voorop te lopen in de transitie naar een meer integrale samenleving[1]. Nederland is voor een belangrijk deel gevormd door onze koloniale geschiedenis. Bewustzijn hierover kan ons helpen een volgende stap in de evolutie te zetten. Net zoals een individu persoonlijke trauma’s in de ogen moet kijken om zich verder te ontwikkelen, geldt dit ook voor onze collectieve trauma’s. Wat betreft Indonesië wordt daar nu voorzichtig een begin mee gemaakt.

“Waarom hebben we zoveel moeite om onze rol als kolonisator te erkennen, te onderzoeken en excuses aan te bieden voor wat we daar aangericht hebben?”

Het lijkt zo lang geleden, de oprichting van de VOC in 1602 en de ‘politionele acties’ van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Toch zijn er ongetwijfeld mensen in je omgeving, familieleden, vrienden, kennissen die in Nederlands-Indië geboren zijn, daar gewerkt of gevochten hebben of in een Jappenkamp zaten. Of de kinderen en kleinkinderen van deze mensen. Wat vertellen zij jou over dat verleden? Meestal niets. Er blijkt een dikke deken te liggen over dat deel van onze geschiedenis. Er werd en wordt nog steeds nauwelijks over gepraat, noch in privékring noch in de publieke ruimte. Pas de laatste jaren komt er iets meer openheid, er worden boeken geschreven (zoals Asta’s Ogen en Tabé Java, Tabé Indië), documentaires gemaakt en onderzoeken gedaan.

In dit artikel licht ik een klein tipje van de sluier op. Hoe zijn we daar terecht gekomen? Wat deden we daar? Hoe zijn we weer weggegaan en waarom gingen we weg? En waarom hebben we zoveel moeite om onze rol als kolonisator te erkennen, te onderzoeken en excuses aan te bieden voor wat we daar aangericht hebben?

Handel en godsdienst

Terugkijkend in de geschiedenis zijn twee factoren van groot belang geweest op de ontwikkeling van ons koloniale denken: handel en godsdienst. Rond 1250 bestond er nog helemaal geen Nederland, maar er was wel een aantal steden in het Oosten van ons land die lid waren van het internationale Verbond van Hanzesteden zoals Zwolle, Zutphen, Deventer en Harderwijk. Dat bleek een succesrijke formule te zijn. Ze hadden een leger en als bepaalde vorsten niet mee wilden werken, dreigden ze om het leger op hen af te sturen. Ze hadden ook een vorm van rechtspraak in Lübeck en Maagdenburg. Deze manier van werken zet een beetje de toon voor het moment dat Nederland later gaat nadenken over het vormgeven van ons kolonialisme. Er is een precedent.

Europa was lange tijd katholiek. Totdat Maarten Luther in 1517 via een document dat hij op de grote deur van de slotkerk in Wittenberg timmerde, de wantoestanden in de katholieke Kerk aanklaagde. Hij werd snel populair. Het machtige katholieke Spaanse vorstenrijk op dat moment onder leiding Karel de Vijfde vond dit een gevaarlijke ontwikkeling en men ging de ‘ketters’ zoals de Lutherianen en andere protestanten genoemd werden, vervolgen en op de brandstapel gooien. Nederland komt daartegen in opstand. In die tijd vindt bij ons een verschuiving plaats van Lutheranisme naar Calvinisme. Luther zei: De overheid is door God gegeven. Calvijn zei dat ook de overheid is onderworpen aan de wetten van God. Als een overheid de wetten van God overtreedt, dan mag je daartegen in opstand komen. Dat kwam ons dus veel beter uit.

In 1568 breekt dan echt deoorlog uit met de Spanjaarden, een oorlog die 80 jaar zou gaan duren. In 1588 werd de Republiek van de Verenigde Nederlanden gevormd om de samenwerking tussen de provincies te versterken en de vijand beter het hoofd te kunnen bieden.

Het ontstaan van de VOC

De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) wordt midden in deze oorlogstijd opgericht in 1602. Het is een samenwerkingsverband van alle Nederlandse handelaren die zaken doen in Azië. Azië is in die tijd heel populair als handelsgebied omdat je er specerijen kunt kopen zoals nootmuskaat en peper, die in Europa heel gewild zijn. De VOC is een bedrijf met heel veel macht. Het mag verdragen sluiten met Aziatische vorsten, forten bouwen, soldaten plaatsen en oorlog voeren. De VOC  heeft bezittingen over de hele wereld, op de Indonesische eilanden, op Sri Lanka, in India, Japan, China en Zuid-Afrika. Je kunt de VOC zien als de eerste multinational ter wereld. Een bedrijf met honderden schepen en tienduizenden werknemers. Dit is het traditionele verhaal dat je vaak hoort. Het gaat om specerijen, het gaat om handel. Maar eigenlijk is het een sprookje. Want wat was er werkelijk aan de hand?

De Staten-Generaal onder leiding van Johan van Oldenbarnevelt geeft in 1602 een octrooi aan de VOC, waarin deze het monopolie krijgt op de totale Aziatische handel plus de bevoegdheid om in naam van de Staten-Generaal oorlog te voeren en gebieden te bezetten. De kersverse Republiek zat namelijk met een probleem: er zat geen schot in de oorlog met Spanje en er was heel veel geld nodig om uiteindelijk de overwinning te kunnen behalen. De VOC kreeg de opdracht om de door Spanje en Portugal bezette gebieden in Azië te veroveren en de handel over te nemen. Zo zou de inkomstenstroom voor Spanje opdrogen en naar Nederland afbuigen. De VOC moest wel zelf alle kosten betalen: je mag handel voeren, verdragen afsluiten, schepen kapen, oorlog voeren, je kunt winst maken, maar wij gaan er geen cent aan betalen. En dat zet de toon tot 1800.

“De VOC blijkt overigens economisch helemaal niet zo’n succesverhaal te zijn als ons vaak verteld wordt.”

Hoe gaat de VOC dit aanpakken? Jan Pieterszoon Koen, in 1617 gouverneur-generaal van alle VOC-bezittingen buiten de republiek der Nederlanden, gebruikt de tactiek van de Hanzesteden en wil bovendien productie, handel en verkoop in één hand hebben. Om medewerking af te dwingen zet hij moord en doodslag in. Een bekend voorbeeld zijn de Banda-eilanden, toen de enige bron voor de specerijen nootmuskaat en foelie. Hij liet hier 15.000 mensen vermoorden omdat ze niet voor de Nederlanders wilden werken en verving hen door mensen uit andere gebieden. De gehele koloniale periode heeft Nederland zo via een schrikbewind (overigens in samenwerking met inheemse leiders) de touwtjes in handengehouden. Bijna 5000 schepen vol beladen met rijkdommen kwamen in al die jaren naar Nederland. Met dit geld zijn o.a. onze polders gemaakt.

Het einde van de VOC

De VOC blijkt overigens economisch helemaal niet zo’n succesverhaal te zijn als ons vaak verteld wordt. In de 16eeeuw waren er ook vele kleinere bedrijven geweest die met Azië handelden en veel hogere winsten maakten. In de beginperiode leed de VOC verlies ondanks haar monopolie positie. Om het uitzenden van schepen toch te kunnen bekostigen werd het aandeel uitgevonden. Daarmee werd Amsterdam in die tijd het financiële centrum van de wereld wat ook heeft bijgedragen aan onze Gouden Eeuw.

Door verschillende redenen werd de positie van de VOC langzamerhand zwakker. Concurrentie vanuit Engeland was daarin een belangrijke factor. In 1780 verklaart Engeland de Republiek voor de vierde keer de oorlog, omdat die in Britse ogen te openlijk steun verleent aan de Amerikaanse rebellen. De Engelsen veroveren de VOC-vestigingen in India en een groot aantal goederen die bestemd zijn voor Europa. De vaart ligt nagenoeg stil. Slechts met behulp van de Staten van Holland en Zeeland en de stad Amsterdam kan de VOC het hoofd nog even boven water houden. Voor de Nederlandse overheid staat vast dat de VOC niet ten onder mag gaan, omdat ze die ziet als de belangrijkste steunpilaar van de Republiek. Het is de vraag of dat terecht is. ‘De bijdrage van de VOC aan de Nederlandse economie is altijd overschat,’ zegt historica Els Jacobs. ’In werkelijkheid is de VOC verantwoordelijk geweest voor slechts 10 procent van de Nederlandse handelsomzet.’ Niettemin was men er toch van overtuigd is dat Nederland de VOC nodig had. Het redden van de VOC werd een prestigekwestie, zoals dat in onze tijd het geval was bij Daf, Fokker en ABN-AMRO.

In 1800 werd de VOC opgeheven; de Staten-Generaal wilden het octrooi niet meer verlengen. Maar de Nederlandse staat stelde zich wel verantwoordelijk voor de enorme schuld van 219 miljoen gulden, eenderde van de totale staatsschuld. De belastingbetaler draaide er uiteindelijk voor op. Het was ook een van de redenen dat de Belgen bij de aansluiting in 1815 zo tegensputteren. De schulden van de VOC bleven tot diep in de negentiende eeuw een zware last voor het Koninkrijk. Niettemin gaat de staat in feite op eenzelfde voet door in Nederlands Indië: handel stimuleren en oorlog voeren. Van 1873 – 1914 vindt de Atjeh-oorlog plaats met als doel het volk van Atjeh in Noord-Sumatra onder Nederlands bestuur te brengen. Er kwamen tussen de 50.000 en 100.000 Atjehers om. In 2012 wordt dit in een internationaal tijdschrift vermeld als genocide[2].

Multatuli (E.D. Dekker), schrijver van het boek Max Havelaar, schreef in 1860 aan Koning Willem III:
……een roofstaat aan de Noordzee…….dat spoorwegen bouwt van gestolen geld en tot betaling de bestolene bedwelmt met opium, Evangelie en jenever… Aan U durf ik met vertrouwen te vragen of het Uw wil is dat daarginds Uw meer dan dertig miljoen onderdanen worden mishandeld enuitgezogen in UWEN naam?

Het einde van Nederlands-Indië

Na de capitulatie van Japan riep Soekarno, leider van het Indonesische verzet tegen de gehate kolonisator, de onafhankelijkheid van Indonesië uit op 17 augustus 1945. Nederland was geschokt, vandaar de kreet: Indië verloren, rampspoed geboren. Want onze welvaart was ook na 1800 voor een belangrijk deel gebaseerd op de opbrengst uit onze koloniën. Eerst werden oorlogsvrijwilligers opgeroepen om naar de Oost te gaan. Deze kwamen vooral van het protestante platteland. Men dacht een goede daad te verrichten: zoals de geallieerden ons bevrijd hebben, zo gaan wij ons Nederlands-Indië bevrijden van de guerrillastrijders. Daarbij vergetend dat wij zelf de onderdrukkende partij waren. Vervolgens werden tijdens de twee zogenoemde ‘politionele acties’ nog eens 220.000 soldaten naar het oorlogsgebied verscheept. Deze koloniale oorlog in Indonesië was in feite de grootste Nederlandse militaire operatie ooit. Met hardnekkigheid bleef de regering vasthouden aan haar gelijk en negeerde volledig een resolutie van de VN Veiligheidsraad waarin werd gezegd dat Nederland zich terug moest trekken uit haar kolonie. Pas nadat gedreigd werd met het stoppen van de Marshallhulp ondertekende Nederland een akkoord met Indonesië op 27 december 1949. Deze oorlog heeft ongeveer 100.000 inheemse mensen het leven gekost en ongeveer 5000 aan Nederlandse zijde.

Daarna startte de ‘repatriëring’. Meer dan 300.000 mensen kwamen (terug) naar Nederland: het ambtenarenapparaat, gedesillusioneerde soldaten inclusief de KNIL militairen die aan de kant van Nederland gevochten hadden, gemengde Indo families en Indonesiërs die nu vanwege hun denkbeelden vervolgd werden door hun regering. Die terugkomst in de Nederlandse samenleving is haast ongemerkt verlopen (met uitzondering van de Molukse acties). Veel Nederlanders wilden niet praten over hun ervaringen en de Indo(nesische) mensen probeerden stilletjes een plaatsje te vinden in dit kikkerland. Niemand werd echt verwelkomd. En iedereen ‘vergat’ wat er allemaal gebeurd was.

Collectieve herinnering verdwenen

Hoe kan het dat pas 70 jaar na dato het verhaal over onze geschiedenis in Indonesië echt op tafel komt? Abram de Swaan zegt: “Nederlands weinig verheffende koloniale verleden wil maar niet in de herinnering beklijven. Het is een nationaal geheim dat telkens weer onthuld wordt (zoals het verhaal van veteraan Joop Hueting in Brandpunt 1969) en dan opnieuw wordt weggemoffeld. We willen niet weten wat we weten’.[3]Hoe kan dit hier gebeuren, terwijl bijvoorbeeld in Duitsland heel veel tijd, geld en energie besteed is om in het reine te komen met het oorlogsverleden en de holocaust.

Als dit bij een individu gebeurt, spreken we over een trauma, een’vergeten’ verleden. De ‘afgeweerde’ herinneringen, fantasieën en gedachten zijn echter niet helemaal verdwenen, ze sluimeren net buiten geheugenbereik en beïnvloeden iemand gedrag. Alleen de woorden blijven onder de oppervlakte, soms een leven lang. De gebeurtenissen blijven ‘onbeseft’ en ‘wachten’ als het ware tot ze tot leven worden gewekt.

Bij collectieve trauma’s speelt iets soortgelijks. Allereerst wordt er niet over gesproken. Wat werkelijk gebeurd is, blijft buiten de media, politici zwijgen, de publieke ruimte blijft leeg.  Alleen in de randen van de samenleving wordt een ruimere waarheid verteld (zoals in De Groene Amsterdammer) maar de meerderheid van de bevolking heeft geen enkel idee. Binnenskamers blijft het ook stil door het bestaan van het ‘familiegeheim’.

Heel recent verscheen een prachtige memoire over zo’n gezin met een geheim:Thuis gelooft niemand mijvan Maarten Hidskes (2016). De auteur is de zoon van een Indië-vrijwilliger die in de jaren 1946-’47 onder kapitein Westerling bij de commando’s op Zuid-Celebes vocht. Op een verjaardagsvisite in huize Hidskes zegt Iemand: “Nou, dat jij bij Westerling hebt gezeten!”Mijn vader: “Ja, dat klopt ja.”Mijn moeder: “Wie wil er nog koffie?”Nu had iemand kunnen zeggen: ‘Wacht eens even! Westerling, dat was toch die massamoordenaar? Wat deed jíj daar?’ Maar dan was de sfeer meteen bedorven. U en ik zouden daar op verjaarsvisite niet over beginnen, laat staan erop doorgaan. Zo zijn wij niet. En in de familie Hidskes waren ze ook niet zo.2)

Onder de betrokkenen zelf speelt bovendien een sterk gevoel van loyaliteit. Velen weten wat er gebeurd is, maar je gaat je maten niet verraden. Een andere manier om het geweten ‘schoon’ te houden is om te spreken over ‘excessen’ en ‘ontsporingen’ zoals is gebeurd in de Excessennota (1969). Daarmee ontken je dat het over systematisch en structureel geweld gaat.

Openheid en healing

Hoe kunnen we dit collectieve niet-meer-weten wakker maken? De Swaan stelt dat de eerste stap is om de beschikbare informatie en kennis openbaar te maken en te delen. Een belangrijke stap in die richting is het nauwgezette onderzoeksrapport van Rémy Limpach De brandende kampongs van generaal Spoor(2016). De belangrijkste conclusie uit dit onderzoek is dathet optreden van de Nederlandse troepen in Indonesië tijdens de twee ‘politionele acties’ van ’46 en ’49 niet incidenteel gewelddadig was, maar structureel. Het ging niet om ‘ontsporingen’ of ‘excessen’, maar om opzettelijk en systematisch toegepast geweld tegen de inheemse bevolking om die zodanig te intimideren dat ze alle verzet zou opgeven en de Indonesische militairen en guerrilla’s niet meer zou durven steunen.

Een tweede stap lijkt me het luisteren naar alle verhalen. Een paar mensen kunnen nog uit eigen ervaring vertellen over wat zij hebben meegemaakt in Nederlands-Indië, tijdens onze koloniale oorlog daar en later bij de komst naar of terugkomst in Nederland: hoe was de ontvangst? Maar ook de tweede generatie kan veel vertellen, al is het maar over de taboes die er waren of de verwijzingen naar verzwegen gebeurtenissen.

Het gaat ook over het diepgaand voelen over wat er gebeurd is en wat dat met ons doet. Het gaat  niet om het opkloppen van schuld- of angstgevoelens, maar om een proces van healing. Een ruim 80 jarige mevrouw die in Nederlands-Indië geboren is en in een Jappenkamp terecht kwam, vertelde hoe ze eerst nooit naar Indonesië terug durfde te gaan en uiteindelijk na 30 jaar toch gegaan is. Het verbaasde haar hoe weinig rancuneus de Indonesiërs waren vergeleken met de houding van Nederlanders naar Duitsers toe.

Meer dan 2 miljoen mensen in Nederland schijnen voorouders te hebben uit Nederlands-Indië, mensen die daar geboren zijn, er geleefd of gewerkt hebben, er gevochten hebben of in Jappenkampen gezeten hebben. Maar omdat we in een cultuur leven waarin het niet altijd wenselijk is of men niet uitgenodigd wordt om dat verleden levend te houden, kunnen we ook contact verliezen met deze wortels. “Ik zat bij de kapper en werd geholpen door een mooie brunette. Ik vroeg haar: “Wat weet jij over onze geschiedenis in Nederlands-Indië?” “Nou weinig,” zei ze. Tot ze zich ineens herinnerde dat ze op de basisschool een spreekbeurt over Indonesië had gehouden en dat haar opa haar daarbij geholpen had. Ik vroeg: “Waar was je opa geboren?” Ja ergens daar….  Ze gaat nu op zoek naar informatie over haar persoonlijke geschiedenis.”

 Tot slot

Voor Nederland is het belangrijk om onze collectieve schaduwen uit het verleden in het licht te zetten. De slavernij, de slavenhandel en alles wat er in Indonesië is gebeurd zijn pijnlijke plekken in ons bewustzijn. Het wordt tijd dat we deze collectieve schaduwzijden van de BV Nederland gaan aankijken en integreren. Alle hulde voor de mensen die daar nu mee bezig zijn!

Met dank aan Sumadi Bambang Oetomo voor zijn heldere verhaal over onze geschiedenis en Roma Long voor zijn inzichten in collectieve trauma verwerking. We willen een onderzoeksgroep vormen o.a. om verhalen te verzamelen over dit Nederlands-Indië verleden en daarmee een onderwijsproject starten. Heb je belangstelling, stuur dan een mail naar leida@humanemergence.nl.

[1]Leida Schuringa “The transitionfrom Green toYellow”, mei 2018. Zie http://spiraldynamicsintegral.nl/wp-content/uploads/2018/06/The-transition-from-Green-to-Yellow-def.pdf

[2]Emmanuel Kreike: Genocide in the Kampongs? Dutch NineteenthCenturyColonialWarfare in Aceh, Sumatra, in het Journal of Genocide Research (14, 3-4), 2012

[3]Abram de Swaan: Postkoloniale absences, in De Groene Amsterdammer, 10 mei 2017.

Leida Schuringa

Leida Schuringa schrijft voor Pioniers Magazine. Zij werkt als partner bij CHE-Synnervate en is auteur van verschillende boeken o.a. Omgaan met diversiteit; Projectmatig werken voor de non-profit sector en Community Empowerment in a developing country. Haar ervaring ligt in de non-profit sector en ontwikkelingssamenwerking. Op dit moment is zij met name actief in Tsjechië en Malawi. Leida is socioloog, gecertificeerd (leer)supervisor, integral coach (ICC), trainer en adviseur. Zij specialiseerde zich in Spiral Dynamics integral (www.spiraldynamicsintegral.nl) en is geïnteresseerd in de toepassing ervan op maatschappelijke vraagstukken. Haar specifieke expertise ligt vooral op het terrein van community empowerment en haar passie is een bijdrage te leveren aan samenwerking tussen mensen met allerlei verschillende achtergronden.