Artikelen

Hoofdkantoor RABO naar Sittard? Tweede kamer naar Almelo?

Afgelopen dinsdag was de jaarlijkse controle van onze CV combiketel. “Mevrouw, ik ga deze niet meer goedkeuren. Hij is van 2003 en vertoont allerlei mankementen.” Ok, denk ik, zo dient zich dus het moment aan om van het gas af te gaan. Ik laat me adviseren door deze monteur. “Mevrouw, het enige wat u kunt doen met zo’n oud huis zonder A-label is gewoon weer zo’n zelfde ketel aanschaffen.“ Ik gooi allerlei balletjes op: stadsverwarming? grondwarmte? zonnepanelen? Hij knikt meewarig. “Nee mevrouw, dit is de enige mogelijkheid voor uw huis.”

Tja, daar zit ik dan. Ik wil heel graag mijn steentje bijdragen aan de vermindering van CO2 en aan de gastransitie. Zeven jaar geleden hebben we de keuken gerenoveerd. Ik heb er toen helemaal niet bij stil gestaan dat ik in plaats van koken op gas ook een keramische plaat had kunnen nemen. Nu hoop ik zo’n gedateerde vervanging te voorkomen.

Hoeveel tijd hebben we nog?

Het duurt allemaal veel te lang, denk ik dan. Kortgeleden heb ik een artikel van Jelmer Mommers in de Correspondent gelezen: Heet, heter, onleefbaar: de zomer van 2018 dwingt ons tot actie. Hij zet het allemaal nog eens op een rijtje, hoe onze wereld dreigt af te glijden naar een niet meer te controleren klimaatverandering. Jaren geleden heb ik het boek gelezen van Mark Lynas: Zes graden. Onze toekomst op een warmere planeet(2008), waarin hij uiteenzet wat er gebeurt met 1,2 3,4,5 en 6 graden verwarming. Het wordt echt dramatisch als het boven de twee graden komt. De belangrijkste factor, die ook Jelmer benadrukt, is dat we geen controle meer hebben over de spontane processen die gaan optreden.  Zoals de versnelde afbraak van de Noord- en Zuidpool omdat het zeewater opwarmt en de snelle toename van methaangassen in de dampkring door het smelten van de permafrost.

In september verscheen een rapport van Deltares: Mogelijke gevolgen van versnelde zeespiegelstijging voor het Deltaprogramma. Een verkenning. Belangrijkste conclusie: we moeten onze prognoses bijstellen, het gaat sneller dan verwacht. Voorlopig kan het Deltaprogramma aangepast worden. We hebben nu nog de tijd om Nederland klaar te maken voor de verwachte zeespiegel in 2050. Er wordt daarbij gedacht aan verhoging van de dijken, zandsuppletie op de stranden en maatregelen tegen verzilting. Alleen: de stijging stopt niet in 2050. Wanneer we de klimaatdoelen niet halen, zal onze zeespiegel in 2100 één tot drie meter hoger zijn. Bij een extra versnelde zeespiegelstijging kan dat oplopen tot vijf tot acht meter in 2200. Dan red je het echt niet meer met zandsuppletie. Bovendien daalt in een deel van Nederland de bodem. In het gebied tussen Woerden en de strandwallen in het westen moeten we rekening houden met een uiteindelijk bodemdaling van drie tot vier meter. Het verschil tussen een stijgende zeespiegel en een dalende bodem wordt zo, in ieder geval in die regio, steeds groter.

Ik vind het erg belangrijk dat we niet alleen naar de komende decennia kijken. In 2050 zal ik bijna 100 zijn als ik tijd van leven heb. Maar mijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen staan dan midden in het leven en de vraag is: wat voor wereld laten we voor hen achter? Wat ik zie is dat de dreiging voortdurend gebagatelliseerd wordt of ontkend of uit het bewustzijn gehouden. Ook ik vind het lastig om me een voorstelling te maken van de toekomst. Er zijn natuurlijk verschillende scenario’s mogelijk, er is onzekerheid. Tegelijkertijd is het wel duidelijk dat we de verkeerde kant opgaan. De houdbaarheid van Nederland is eindig,” schrijft klimaatwetenschapper Peter Kuipers Munneke in de NRC van 11 juli 2018. “De politiek moet zich afvragen voor wie ze dijken ophogen: voor de komende drie of de komende tien generaties?”

Hoe staan we ervoor als Nederland?

In bovenstaande kaart kun je zien hoe de situatie nu is: alles wat rood is, ligt onder de zeespiegel. Ongeveer een kwart van Nederland ligt onder NAP (het gemiddelde zeeniveau). Bovendien is zo’n 30% van ons land gevoelig voor rivieroverstromingen. Er is ook een zeer nauwkeurige kaart waarop precies staat hoe hoog alle plekken in Nederland liggen: het Actueel Hoogtebestand Nederland. Ons oppervlaktewater wordt met behulp van deze kaart beheerd. Aan de hand van de hoogte van bepaalde stukken land kan worden bepaald of het water voldoende van het land kan stromen, hoe hoog het water in de sloten mag zijn of het water uit rivieren kan worden afgevoerd. Hiermee kunnen ze ook zien of de dijken nog hoog en sterk genoeg zijn.

Als de zeespiegel stijgt, komen steeds meer delen van Nederland onder het nieuwe NAP te liggen.

Alles wat groen is, is 1 – 12 meter boven het huidige NAP. Je ziet dat bij zeespiegelstijging een steeds groter deel van Nederland onder water kan lopen. Ook moet je rekening houden met stormvloed en de toenemende kracht van stormen. Daarnaast zijn er de rivieren die vaker naast hun oevers zullen treden, denk aan de Maas die vaak overstroomt (die rivieren staan niet in deze kaart aangegeven). Dat is alles bij elkaar veel water.

Wat valt er te doen?

Deltares heeft een ‘policy hackathon’ gehouden: experts uit allerlei disciplines hebben nagedacht over de gevolgen van extreme zeespiegelstijging in Nederland en mogelijke maatregelen om de gevolgen hiervan te beperken. De aanleiding is internationaal onderzoek dat aangeeft dat de wereldwijde zeespiegelstijging kan gaan versnellen. Een van deze studies neemt de extra factoren zoals ontdooien van de permafrost en het versneld smelten van de poolkappen mee en komt dan tot uiteindelijk meer dan 20 meter stijging in 2500. Wat kunnen we doen en wat is wijs om te doen?

Nederland heeft een lange traditie in en veel ervaring met het beheersen van water, maar over de te verwachten sterke zeespiegelstijging in de komende eeuwen is nog nauwelijks nagedacht. Het beleid gaat slechts tot een stijging van een halve meter in 2050. Het Deltares rapport meldt dat er ook daarna veel mogelijk is, maar dat het enorme investeringen vraagt: “Bij stijgingen van 2 tot 6 meter zijn drastische ingrepen nodig om Nederland bewoonbaar te houden.”

Op dit moment geeft Rijkswaterstaat 85 miljoen euro per jaar uit aan zandsuppletie om onze kustlijn in takt te houden. Al bij die halve meter stijging gaan kustplaatsen dan echter uitsteken in zee ten opzichte van het eroderende duin. Om dat tegen te gaan, is nog veel meer zandsuppletie nodig en de vraag is of er voldoende geld, zand en schepen zijn om dat uit te voeren. Is onze basiskustlijn dan nog wel te handhaven of moeten we die strategie opgeven? Bij twee meter zeespiegelstijging verplaatst de kust zich ongeveer 100 meter landinwaarts en o.a. de waddeneilanden kunnen in de problemen komen.

Dijken en andere waterkeringen kunnen opgehoogd worden, maar een hogere dijk moet ook breder worden. Het bouw- en onderhoudsprogramma moet versneld en geïntensiveerd worden. De zoetwatervoorziening vereist extra aandacht, omdat verzilting van de kustgebieden op de loer ligt. Het grondwaterpeil zal stijgen en steden als Den Haag, Rotterdam, Amsterdam kunnen daar problemen mee krijgen. Het is de vraag of de rivieren hun water voldoende kwijt kunnen of dat het afgevoerd moet worden naar het IJsselmeer. In dat geval zijn er veel extra pompen nodig om dat water te lozen.

Een belangrijke kwestie is: wat gebeurt er met onze steden in laag-Nederland bij de stijging van de zeespiegel met het risico op grote overstromingen? Ervaringen in andere landen leert ons dat de aantrekkelijkheid voor bewoners om daar te blijven wonen en voor bedrijven om zich daar te vestigen, kleiner wordt. Het vertrouwen in de veiligheid van de delta wordt minder. Mogelijk moet er anders gebouwd gaan worden (drijvende steden? drijvende huizen? Met verhoogde dijken als wegennet?). Mogelijk moeten we denken aan het ophogen van het land (terpen bouwen?).

Als het risico groot is dat Schiphol en ons regeringscentrum in de Haag over 200 of 300 jaar weggespoeld zijn, is het dan niet zinvol om na te denken over de verhuizing van onze vitale instituties en voorzieningen naar het Oosten van het land? Het gezonde verstand zegt: laten we voorlopig gaan bouwen op 25 meter boven de zeespiegel. Dat lijkt me wijs investeren in de toekomst.

En de politiek?

Hoe ver kijken politici vooruit? Ik zie helaas vooral debatten over de korte termijn, elkaar vliegen afvangen, de ego-spelletjes en de strijd om de macht en de kiezersgunst. Je zou toch verwachten dat onze regeringen ook de oppositiepartijen vanuit wijsheid regeren, dat ze een vooruitziende blik hebben, dat ze zich bezighouden met een leefbare toekomst voor volgende generaties. Toch bleek dat ook het aangekondigde ambitieuze klimaat- en energieakkoord er dit jaar niet gaat komen. De dagelijkse sores in de politiek en ons op consensus gerichte bestuurssysteem sneeuwen steeds de brandende noodzaak van actie onder. Radicale maatregelen kunnen echter niet uitblijven.

Terug naar mijn CV ketel. Ik heb besloten om eerst grondig te onderzoeken welke mogelijkheden er toch zijn voor mijn huis. Misschien gaat het veel geld kosten dat ik nu niet heb. In het uiterste geval kunnen we ook nog kiezen voor het jaren ‘50 model: één verwarmde kamer en verder dikke truien. Het stuit me tegen de borst om nu de ketel aan vervanging toe is en weg moet, niet te kiezen voor een radicale aanpak.

Leida Schuringa

Leida Schuringa schrijft voor Pioniers Magazine. Zij is bestuurslid van het Center for Human Emergence dat - evenals het gelieerde bedrijf Synnervate – werkt op basis van het Integrale model van Ken Wilber en Spiral Dynamics Integral (SDi) (zie www.spiraldynamicsintegral.nl). Leida is auteur van verschillende boeken o.a. Omgaan met diversiteit; Projectmatig werken voor de non-profit sector en Community Empowerment in a developing country. Haar ervaring ligt in de non-profit sector en ontwikkelingssamenwerking. Op dit moment is zij met name actief in Tsjechië en Malawi. Leida is socioloog, gecertificeerd (leer)supervisor, integral coach (ICC), trainer en adviseur. Zij is geïnteresseerd in de toepassing van SDi op maatschappelijke vraagstukken. Haar specifieke expertise ligt vooral op het terrein van community empowerment en haar passie is een bijdrage te leveren aan samenwerking tussen mensen met allerlei verschillende achtergronden.